Naar navigatie

Chris Houtman

Chris Houtman werkte jarenlang als eindredacteur en regisseur voor hij zich volledig toelegde op zijn schrijverschap. Voor Akte van berouw werd hij genomineerd voor de Gouden Strop en ontving hij de Hebban Thriller Clubprijs. Met zijn Veleda-trilogie bewijst Chris Houtman zijn unieke talent voor historische romans.

Binnen de Veleda-trilogie zijn verschenen:

 

 

 

 

 

Lees mee met het schrijfproces van Chris Houtman: 

Deel 20: Wereldbeeld en andere misverstanden

In de middeleeuwen dacht men wellicht dat de aarde plat was, maar in de eerste eeuw na Chr., de tijd waarin de Veleda-trilogie zich afspeelt, wist men wel beter. Plinius de Oudere schreef al in zijn Naturalis Historia dat de wereld een bol was. Wel vraagt hij zich af of aan de andere kant van deze aardbol ook mensen wonen en waarom deze lieden er dan niet vanaf vallen.

Wat de omtrek van de aarde betreft, citeert Plinius de Hellenistische wetenschapper Eratosthenes (276-194 voor Chr.), die op basis van de lengteverschillen van de schaduw van de zon op verschillende plekken in Egypte, waar hij verbonden was aan de beroemde bibliotheek van Alexandrië, kon berekenen wat de omtrek van de aarde was. Hij kwam uit op 250.000 stadiën, omgerekend naar hedendaagse maatvoering ongeveer 39.500 kilometer. Behoorlijk nauwkeurig, als je beseft dat we dankzij onze hedendaagse meetapparatuur weten dat de omtrek 40.070 kilometer is.

Het blijft een wonderbaarlijk en intrigerend boek, deze Naturalis Historia. Aan de ene kant is het verrassend accuraat en kom je er opvattingen tegen die we tegenwoordig zelfs nog als modern zouden bestempelen, anderzijds was Plinius ook een kind van zijn tijd en moest hij het doen met de kennis en de (soms quasi-) wetenschap die hij tot zijn beschikking had. Het duidelijkst komen deze beperkingen aan het licht als hij de volkeren beschrijft die op de aarde wonen. Veel van deze volken, die binnen de grenzen van het Romeinse Rijk of net erbuiten verbleven kent hij, maar van de mensen die verderaf woonden moest hij afgaan op berichten van reizigers die hun kennis misschien ook wel van horen zeggen hadden.

Je moet soms een beetje tussen de regels doorlezen om te begrijpen wat Plinius bedoelt. Bijvoorbeeld als hij het heeft over een land dat voorbij India ligt:

‘De eerste mensen die we hier kennen zijn de Seres, beroemd om hun wol uit de bossen, waarvan ze het grijze dons met water overgieten en van de bladeren afkammen. Dit bezorgt onze vrouwen een dubbele inspanning om de draden weer te ontrafelen en opnieuw te weven. Met zo’n gecompliceerde arbeid en vanuit een zo verafgelegen wereld proberen we te bereiken dat een dame in het openbaar doorschijnend gekleed is.’

Het land dat Plinius hier bedoelt, is natuurlijk China, de wol uit de bossen is dat van de zijderups en vrouwen die in het openbaar doorschijnend gekleed gaan, dragen natuurlijk ragfijne zijde, een van de meest luxueuze stoffen die een Romein zich kon veroorloven.

Ook over de Lage Landen heeft Plinius een aantal opmerkelijke observaties, die voor ons eigenlijk nog veel interessanter zijn omdat hij hier zelf heeft rondgelopen in de jaren dat hij als cavalerie-officier gelegerd was in Germania. Hij is onder andere in het waddengebied geweest en schrijft daarover:

‘Twee keer per etmaal komt de Oceaan daar met geweldige watermassa’s over een onmetelijke afstand opzetten en bedekt (het) eeuwig door de natuur omstreden gebied, waarvan het onduidelijk is of het bij het vasteland behoort of deel uitmaakt van de zee. Daar bewoont dat arme volk hoge terpen of dammen die ze eigenhandig hebben opgeworpen (…) Met de hand verzamelen ze slijk dat ze door de wind en dan door de zon laten drogen en met deze turf verwarmen ze hun voedsel en hun door de noordenwind verkleumde lichamen.’

Voor een Romein als Plinius, die het aangename klimaat van het Italiaanse land gewend was, moet onze natte, koude noordelijke kuststreek en die van Noord-Duitsland een gruwel zijn geweest. Hij begrijpt werkelijk niet dat mensen hier willen wonen:

‘Ze drinken uitsluitend regenwater dat ze in kuilen bij de ingang van hun huis bewaren. En deze volkeren spreken van slavernij als ze vandaag de dag door het Romeinse volk overwonnen worden! Zo gaat het inderdaad: het lot laat veel mensen in leven om ze te straffen.’

Het is fascinerend om te lezen hoe het wereldbeeld van Plinius in elkaar stak. Zijn nieuwsgierigheid naar de wonderen van Moeder Aarde, met alle volkeren, dieren en planten die erop wonen, is aanstekelijk. Maar het is een wereldbeeld dat botst met dat van de mensen die in onze streken woonden. Vandaar ook dat de twee hoofdpersonen uit de Veleda-trilogie, de één van Friese afkomst en de ander Romeins, door mij als auteur in dramatische zin “tot elkaar veroordeeld worden”. Ze gaan de discussie niet uit de weg en zetten elkaar aan het denken. Ons wereldbeeld verschilt enorm van de visies zij erop nahielden. De Veleda-trilogie beoogt een brug te slaan tussen het denken van toen en dat van nu. Want wij zijn er misschien dan wel van overtuigd dat wij onze wereld redelijk goed begrijpen, maar dat waren Plinius en Elfleda ook…

(Plinius-fragmenten uit: ‘De wereld’ (Naturalis Historia), vertaald door Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters)

De methode die Eratosthenes gebruikte om de omtrek van de aarde te bepalen, illustratie: David Monniaux/Wikimedia Commons

Hoe het bewoonde deel van de aardbol eruitzag, volgens Eratosthenes, illustratie: MagentaGreen, Wikimedia Commons

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deel 19: Tijd, afstand en historische namen

Eén van de echte problemen waar je tegenaan loopt als je een historisch verhaal schrijft is de beleving van tijd, afstand en het gebruik van andere maatvoeringen. In De Veleda-erfenis, die op 24 februari a.s. verschijnt, speelt het verhaal zich af in Germania (waartoe ook de Lage Landen behoorden), het noorden van Italië, Rome en Alexandrië. We beleven de laatste maanden van de strijd om het keizerschap, nadat Nero ruim een jaar eerder is afgezet en, geassisteerd door een van zijn trouwe dienaren, zelfmoord heeft gepleegd. Zonder iets van de plot weg te geven kan ik gerust melden dat de gebeurtenissen die op deze vier locaties plaatsvinden elkaar natuurlijk beïnvloeden. Alleen zit daar anders dan tegenwoordig zit wel telkens behoorlijk veel tijd tussen, en dat is plotmatig niet altijd even handig, zelfs niet voor de personages. Zo laat ik bijvoorbeeld de in Alexandrië verblijvende Vespasianus klagen over het feit dat een bericht dat hem vanuit Rome bereikt, in feite op het moment dat hij het leest, alweer achterhaald is omdat het er ruim twee weken over heeft gedaan om hem te bereiken. En die twee weken is een schatting, op basis van modellen die worden gehanteerd in het ontzettend handige Stanford Geospatial Network Model of the Roman World.

Hoe dan ook: mijn personages lopen veelal achter de feiten aan en dat is bij het construeren van een spannende dynamische verhaallijn best een hoop gepuzzel over de vraag wie, wat, waar en op welk moment te horen krijgt.

Als schrijver dien je ook op een andere manier met afstanden om te gaan. In de Romeinse tijd bestonden er geen kilometers, meters, decimeters of centimeters, maar mijlen, passen, voeten, (hand)palmen en vingerkootjes of duimen. Verwarrend misschien voor de moderne lezer, maar op het moment dat ik een van de personages het laat hebben over kilometers, verstoor je de historische illusie die je probeert te creëren en dat is doodzonde. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor andere maatvoeringen met betrekking tot gewicht en inhoud.

Een andere keuze die je moet maken is welke geografische namen je hanteert. Voor de lezer is het handig om te weten dat een bepaald hoofdstuk zich bijvoorbeeld afspeelt op de plek die we tegenwoordig Nijmegen noemen, maar de naam Nijmegen is afgeleid van de oude Latijnse naam Ulpia Noviomagus Batavorum, en daarvan is het probleem dat de stad die zo wordt genoemd in de tijd waarin de Veleda-verhalen zich afspelen, als zodanig niet bestond. Op het huidige Valkhof bevond zich weliswaar een Bataafse nederzetting genaamd Oppidum Batavorum, maar pas onder keizer Trajanus ontstond de naam Noviomagus.  Het is niet anders, daar kon ik niet mee foezelen. Geen moderne of anachronistische namen dus. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om deze te gebruiken, maar ik wilde de lezer niet helemaal in de kou laten staan, vandaar dat er in de Veleda-trilogie af en toe voetnoten staan, onderaan de pagina, zodat je in één oogopslag kunt zien welke plaats of streek de personages bedoelen. Een verklarend begrippenlijstje achter in het boek was een andere optie geweest, maar dat heen- en weergeblader, daar heb ik helemaal een hekel aan. Wellicht zijn er andere oplossingen voor, bij deze: suggesties zijn welkom!

Een mijlsteen uit Oostenrijk
Foto: Matthias Kabel/Wikimedia Commons

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deel 18: Taal

Een van de leukste aspecten van het schrijven van een historisch getint verhaal is dat je je voortdurend bewust moet zijn van de taal die je gebruikt. En dan bedoel ik niet eens zozeer dat het taalgebruik ‘oud’ moet klinken, maar vooral dat je oplet dat je geen woorden gebruikt die historisch gezien niet kunnen. Dus geen zinnen als: ‘Het liep als een trein,’ als je verhaal zich afspeelt in de Romeinse tijd. Of ‘hij werd bekogeld met rotte tomaten,’ aangezien deze vrucht van origine afkomstig is van het Amerikaanse continent en dus in het oude Rome nog onbekend was. Hetzelfde geldt overigens voor aardappelen of tabak, maar ook voor producten en gewassen die afkomstig zijn uit andere gebieden die nog niet algemeen bekend waren bij de Romeinen.

Maar er zijn ook twijfelgevallen, zoals: ‘een kort lontje hebben’. Natuurlijk bestonden er lonten, maar werd deze term ook gebruikt in relatie tot ontploffingen? In elk geval niet inzake buskruit, want dat kende men toen nog niet. En dat geldt voor veel andere ogenschijnlijk historische verantwoorde begrippen en gezegden. Het merendeel daarvan is evident: je kunt geen Romein laten praten als Brugman of iemand een blauwe boon laten krijgen.

Oké, het is oppassen dus, als je een historisch verhaal schrijft. En in deze zin ga ik ook alweer in de fout, want het woordje oké is afkomstig uit het Engels en werd – in de betekenis van ‘goed’ – voor het eerst gebruikt in 1899.

Lastiger wordt het als je woorden gebruikt die weliswaar ‘oud’ klinken, maar toch niet in de tijd passen waarin je verhaal zich afspeelt. In mijn geval moest ik, aangezien de Veleda-trilogie zich afspeelt tussen 58 en 71 na Chr. bijvoorbeeld alle begrippen uitsluiten die een christelijke of nieuwtestamentische oorsprong hadden. Geen ‘korte metten maken’ dus, of ‘paarlen voor de zwijnen werpen’. En zelfs geen ‘in godsnaam’, dat klonk mij voor een oude Romein of oude Germaan te monotheïstisch in de oren.

In eerste instantie ervaar je het als een beperking dat je voortdurend moet opletten bij de woorden of uitspraken die je gebruikt, maar gaandeweg het schrijfproces begon ik deze restricties juist steeds leuker te vinden. Ze dwongen me om inventief te zijn en alternatieven te bedenken voor datgene wat ik wilde zeggen. En waarom ik het zo leuk vond? De beperkingen die ik mezelf had opgelegd dwongen me om extra research te doen in historisch-taalkundige zin, hetgeen me veel nieuwe inzichten en kennis opleverde. Al met al werd het schrijfproces er voor mij alleen maar spannender en rijker van. Leren leven met beperkingen: soms ben je er dankbaar voor.

Tfioreze/Wikimedia Commons

 

 

 

 

 

 

 

Deel 17: Een vrouw achter de schermen

Bij het schrijven van een historische roman zijn mensen die in de schaduw van de grote namen in de geschiedenis hebben geleefd dankbare hoofdpersonen, zeker als er ook sprake is geweest van een van een persoonlijke relatie. In de Veleda-trilogie is generaal en latere keizer Vespasianus één van die grote namen. Degene door wier ogen wij zijn verhaal beleven is de oud-slavin Caenis. Door de historieschrijvers van haar eigen tijd werd ze in enkele bijzinnen afgeserveerd, maar als romanschrijver herken je er zoveel dramatisch materiaal in dat je vrijwel meteen geïnspireerd raakt en je van deze Caenis een belangrijk personage in het verhaal wilt maken.

Het voornaamste dat we over haar weten, komt uit drie bronnen: als eerste de geschiedschrijvers Suetonius en Cassius Dio, en daarnaast de tekst op haar grafsteen. Het zijn slechts korte teksten, maar daaruit wordt wél duidelijk wat een duizelingwekkend leven Caenis moet hebben gehad. Het begon toen ze als slavin werkzaam was voor Antonia Minor, de moeder van keizer Claudius en grootmoeder van Caligula. Als hofslavin moet Antonia Caenis, zoals ze voluit heette, een goede opleiding hebben gehad, want ze fungeerde als de secretaresse van Antonia en werd geroemd om haar geweldige geheugen. Het kan haast niet anders of dit moet tevens een vertrouwelijke functie zijn geweest, waarbij Caenis, in de schaduw van haar keizerlijke meesteres, van veel historische gebeurtenissen aan of rond het Hof getuige moet zijn geweest. In elk geval ontmoette zij in die dagen de toen nog jonge officier Vespasianus, die op slag verliefd op haar werd, ondanks dat ze ouder was dan hij, hetgeen op zichzelf ook al een interessant romangegeven is.

Na de dood van Antonia werd Caenis in vrijheid gesteld maar, zoals zoveel oud-hofslaven, zal ze met haar kwaliteiten als scribent waarschijnlijk nog steeds in kringen rond het Hof werkzaam zijn geweest. Antonia gedenkt Caenis in haar testament en laat haar niet onbemiddeld achter, zoals in die tijd, zeker in de hogere kringen, niet ongebruikelijk was.

Vespasianus was ondertussen getrouwd met Domitilla, die hem drie kinderen schonk, maar niet lang daarna overleed. Het is opvallend dat Vespasianus vrijwel meteen hierop zijn oude relatie met Caenis herstelde en met haar “omgaat alsof zij zijn vrouw is”, zo melden de contemporaine bronnen. Dat hij niet daadwerkelijk met haar is getrouwd zal te maken hebben gehad met het standsverschil tussen hen beiden.

In de Veleda-trilogie is er niet alleen sprake van een liefdesrelatie tussen Caenis en de latere keizer, maar ze werken ook samen. Gezien haar ruime ervaring aan het Hof en bekendheid met bestuurlijke zaken fungeert ze als zijn vertrouwelinge, die hem veel administratieve en mogelijk politiek ingewikkelde zaken uit handen neemt.

Terug naar de historische feiten: Caenis vertoefde nog steeds aan de zijde van Vespasianus toen hij keizer werd. Ze woonde waarschijnlijk niet in het paleiscomplex op de Palatijn of in het voormalige Gouden Huis van Nero, maar opvallend genoeg woonde Vespasianus daar ook niet. Hij verbleef het liefst in een villa in de tuinen van Sallustius, vlak buiten de oudste stadsmuur van Rome. En Caenis? Die woonde daar net om de hoek, in een monumentale villa aan de Via Nomentana, waar haar grafsteen werd ontdekt. Ze stierf in het jaar 75 na Chr. als een vermogende vrouw. Evenals haar voormalige meesteres Antonia Minor, zorgde ze goed voor haar eigen slaven die – getuige de tekst op haar grafsteen – in vrijheid werden gesteld en het hieronder afgebeelde ontroerende grafmonument lieten vervaardigen. De tekst vermeldt dat de steen werd opgericht door ene Auglus, waarschijnlijk haar huismeester, die mogelijk ook haar erfgenaam was, aangezien hij eveneens de namen van zijn drie kinderen op dit monument vermeldt, als teken van dank.

Als ik dit soort tastbare herinneringen aan een persoon uit het verleden lees, word ik daar altijd even stil van. Dichter bij het persoonlijk leven van iemand die leefde in de schaduw van een van de grote namen uit onze geschiedenis kun je bijna niet komen. Ik vond het een grote eer om deze bijzondere vrouw te kunnen gedenken door haar als een levend personage in de Veleda-trilogie een dermate belangrijke rol te laten spelen dat het soms lijkt dat Vespasianus in haar schaduw staat, in plaats van andersom. Ere wie ere toekomt.

Grafsteen van Caenis. Wikimedia, met dank aan Rossignol Benoît

Buste van Antonia minor, foto: Wikimedia, Shakko

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deel 16: Hoe versla je de Romeinen?

Het grote verschil tussen een historicus en een schrijver van historische romans is dat de één een nauwkeurige studie maakt van zaken die in het verleden zijn gebeurd, en de ander op basis van deze interessante inzichten weer een heel nieuw verhaal maakt, waarin weliswaar de suggestie wordt gewekt dat het zich afspeelt in het verleden, maar waar de verhaalelementen en de personages toch vooral voortkomen uit datgene wat het schrijverschap bepaalt: fantasie en verbeelding. Op zich is het onderscheid tussen beide disciplines helder, tenzij je als auteur het genre ‘faction’ beoefent, want daarin worden feiten en fantasie opzettelijk met elkaar verweven. Verwarrend, maar wel leuk.

Hoe je de Romeinen verslaat is voor een historicus eigenlijk geen interessante vraag. Ten eerste is de vraag gesteld in de tegenwoordige tijd en daar doet de geschiedenis niet aan. De vraagstelling van de historicus zal luiden: hoe werden de Romeinen verslagen of hoe ging het Romeinse Rijk ten onder? Voor een romanschrijver is de vraagstelling in de tegenwoordige tijd juist wél relevant, want bij het schrijven van zijn of haar verhaal heeft de auteur te maken met personages die – binnen de context en interne logica van het boek – leven in het hier en nu. Het zijn hun dagelijkse beslommeringen die in het boek in actieve zin worden beschreven, het zijn hun emoties, hun gedachten, hun strijd en hun avonturen. Het liefst zodanig verwoord en verbeeld dat de lezer het gevoel krijgt er deelgenoot van te zijn, in psychologische zin en misschien zelfs nog mooier: op het emotionele vlak.

Een vraag als hoe je de Romeinen verslaat is voor een schrijver tevens een proces waarin je – al dan niet bewust – reflecteert op het heden. Als ik het Romeinse Rijk met een hedendaagse wereldmacht zou moeten vergelijken, zou ik kiezen voor de Verenigde Staten van Amerika. Beiden hebben/hadden een sterk leger en zijn/waren goed georganiseerd. Het schrijfproces begint bij mij dikwijls door middel van een gedachtenoefening, in de hoop dat ik daarmee mijn fantasie kan prikkelen. Ik zou me in dit geval afvragen wat er zou gebeuren als ik de Bataafse opstandelingenleider Julius Civilis vanuit de Romeinse tijd naar het heden zou verplaatsen. Hoe zou hij vanuit de Betuwe proberen de VS te verslaan? Iedere serieuze historicus zal me op dat moment hartsgrondig uitlachen, want aan dit soort ‘als dan’ gedachtenspelletjes zal hij zijn energie niet willen verspillen. Maar voor het op gang brengen van mijn schrijfproces zijn dit soort hersenspinsels dikwijls een dankbaar vertrekpunt.

Een hedendaagse Julius Civilis zal begrijpen dat de VS niet zomaar verslagen kan worden, daarvoor is het land te sterk. Hij zal daarom op zoek gaan naar methoden om de vijandelijke VS eerst te verzwakken. En wellicht zal hij de oude Romeinse strategie van verdeel-en-heers gebruiken. Een tamelijk effectieve strategie die bijvoorbeeld Putin en andere Amerika-haters in staat stelden om – door middel van geniepige social media-campagnes en het (laten) verspreiden van fake news – de bevolking van de VS tegen elkaar uit te spelen in pro- en anti Trumpers, zozeer zelfs dat woorden als burgeroorlog, afscheiding en opstand weer griezelig actueel werden.

In de Veleda-trilogie maakt de lezer kennis met een aantal hoofdpersonages die bereid zijn om te strijden voor hun vrijheid. Ze zijn niet op hun achterhoofd gevallen en snappen dondersgoed dat je Rome in militair opzicht niet zomaar kunt verslaan. Je maakt pas een kans als de Romeinen onderling verdeeld zijn of – nog beter – als het rijk door burgeroorlog wordt verscheurd, zoals gebeurde na de dood van keizer Nero. De inspiratie voor mijn hoofdpersonen komt niet alleen voort uit het verleden, maar ook uit datgene wat zich momenteel afspeelt in de wereld. In louter geschiedkundige zin kun je daar je vraagtekens bij zetten, maar eerlijk gezegd heb ik daar lak aan. Het is mijn artistieke keuze dat mijn historische verhalen een spiegel zijn voor onze tijd. En een van de voornaamste eigenschappen van een spiegel is dat je jezelf daarin minstens moet kunnen herkennen. Vandaar dat het verhaal – vermomd als historische vertelling – niet alleen over de mensen van toen, maar ook over ons gaat…

Vredesonderhandelingen tussen Claudius Civilis en Petilius Cerealis op de afgebroken brug, 70 n. Chr. Jacobus Buys. Rijksmuseum, Amsterdam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deel 15: Hoe versla je de Romeinen? Een oefening in visualiseren

Het leuke aan het ambacht van het schrijven van fictie is dat je jezelf telkens weer dwingt om datgene wat je wilt vertellen daadwerkelijk voor je te zien. Show, don’t tell is een van de belangrijkste lessen die je als beginnende auteur ingehamerd krijgt. Maar ja, teneinde iets te kunnen tonen, is het handig als je het eerst in je eigen hoofd hebt gevisualiseerd. Dat klinkt voor de hand liggend en simpel, maar dat is het allerminst, daar komt meer bij kijken dan je in eerste instantie denkt.

Neem bijvoorbeeld een eenvoudig zinnetje uit Tacitus’ beschrijving van Romeinse troepenbewegingen in zijn verslag over de laatste fase van de Bataafse opstand:

Cerialis (NB: de bevelhebber) volgde met troepen die waren verdubbeld door de komst van het Tweede, Zesde en Veertiende Legioen. Hulptroepen infanterie en cavalerie waren al eerder opgeroepen en hadden na de zege voortgemaakt.’ (vertaling: Vincent Hunink)

Als romanschrijver zou ik bijvoorbeeld willen dat mijn hoofdpersoon Elfleda op veilige afstand getuige is van deze militaire operatie. Dan is de eerste vraag: wat gebeurt er als een Romeins leger van deze omvang op weg gaat en wat zou Elfleda daarvan kunnen zien? Zonder onmiddellijk als vijandelijke verspieder in de kraag te worden gegrepen door Romeinse verkenners, die links en rechts van de oprukkende legerschare de flanken moesten controleren op eventuele dreigingen. Maar laten we vooral ook even stilstaan bij de vraag: over hoeveel Romeinse soldaten en ondersteunende eenheden hebben we het eigenlijk?

Tacitus schrijft dat het aantal is verdubbeld met de komst van drie legioenen. Dus dan is er sprake van zes legioenen. In ieder legioen dienden 5.500 legionairs, aangevuld door een contingent slaven die werden ingezet voor het transport met de honderden lastdieren per legioen, die nodig waren om alle benodigde spullen, gereedschappen, tenten, kookgerei, proviand, wapens en oorlogsmachinerie te vervoeren. Als we het aantal slaven afronden op 500 per legioen, dan hebben we wat de hoofdmacht betreft al te maken met 36.000 mensen. Tel daar nog eens 20.000 manschappen aan hulptroepen bij op en je hebt het over 56.000 personen. Dat is een Kuip of Johan Cruijff-arena vol. Al die manschappen verplaatsen zich met een snelheid van enkele tientallen kilometers per dag. Ook moeten ze aan het einde van iedere middag een marskamp opbouwen voor de nacht. En gevoed worden. En ergens hun behoefte doen, zonder dat er besmettelijke ziektes uitbreken. En hun wapens poetsen. En de dieren laten grazen. En onderhoud plegen aan hun materieel, etc.

Deze en nog vele andere logistieke vragen stel je jezelf, voordat je überhaupt probeert de definitieve beelden te vormen die je in het boek zou willen gebruiken. In deze tweede fase ga ik meestal zintuigelijk te werk: hoe zal zo’n marcherende legermacht geklonken hebben? Er was een marsritme, al dan niet ondersteund door muziek van hoorns of trommels. Misschien zongen ze wel “houd de moed erin”-achtige liedjes. Er zullen bevelen hebben geklonken. Verkenners of andere troepen te paard zullen af en aan hebben gegaloppeerd, het gekraak van duizenden karrenwielen over de hobbelige keien van de Romeinse wegen zal duidelijk hoorbaar zijn geweest en dan natuurlijk: het geluid van marcherende legionairs, met de met spijkers of noppen beslagen zolen van hun caligae (soldatenlaarzen). Je moet deze kakafonie van kilometers afstand hebben kunnen horen en dat niet alleen: ze zullen met hun 56.000-en de grond letterlijk hebben doen trillen. En dan het aanblik: dat moet overweldigend zijn geweest: tienduizenden mannen gekleed in ijzer, met blinkende helmen, herkenbaar aan uniforme schilden en wapenuitrusting, oprukkend als een niet te stuiten eenheid. En dan daartussendoor en erachter: de bagagekaravaan met ossen, muildieren, ezels en paarden. En vers vlees in de vorm van onderweg geroofd vee. De stank moet je ook al van grote afstand zijn toegewaaid.

Nog even terug naar dat ene kleine zinnetje van Tacitus, over generaal Cerialis en zijn oprukkende troepen. Om hier een korte scène van te maken in een enigszins betrouwbare historische roman, ben je al minstens een dag of wat bezig met de research naar troepenbewegingen, en dan is er in dramatische zin nog geen fluit gebeurd. Er is een leger op pad gegaan, meer niet.

Maar helemaal uitdagend wordt het als je in je hoedanigheid als auteur ook nog eens wilt bedenken hoe jouw Bataafse en Friese hoofdpersonen, samen met hun bondgenoten uit andere Germaanse en Gallische stammen, tegen een dergelijke professioneel georganiseerde en gedisciplineerde legermacht ten strijde willen trekken, teneinde zich te bevrijden van het Romeinse juk.

Dit was deel één van ‘Hoe versla je de Romeinen?’ Morgen meer. En overigens: het woordje ‘versla’ mag worden gelezen in twee betekenissen, realiseer ik me ineens. Het is niet alleen een kwestie van winnen, maar ook van verslag doen.

Hieronder: een link naar een scene uit de remake van Ben Hur (2016) waar je kunt zien hoe een Romeins leger zich voortbeweegt. Huiveringwekkend. Maar fascinerend om over te schrijven…

(Het marcheren begint na 17 seconden)

 

Deel 14: Koningin Boudicca

Bij het schrijven van een historische roman laveer je tussen de grote gebeurtenissen door, die de loop van de geschiedenis voor een belangrijk deel hebben bepaald. Je gebruikt deze historische hoogtepunten als een verhaaldecor voor de romanpersonages. Zij kunnen de uitkomst van deze historische gebeurtenissen natuurlijk niet veranderen, maar omgekeerd kun je wel in het verhaal uit de doeken doen hoe deze gebeurtenissen jouw personages aan het denken zetten en wellicht zelfs in karakterologische zin hebben doen veranderen. Ik hanteer hier het dramaturgische vertrekpunt dat een hoofdpersoon zich gaandeweg het verhaal moet ontwikkelen, wil de vertelling boeiend blijven.

Eén van de historische gebeurtenissen die in De Veleda-voorspelling een grote rol speelt, is de opstand van koningin Boudicca van de Iceni, een Britse stam die woonachtig was in de regio Norfolk, Suffolk en Cambridgeshire, pakweg honderd kilometer ten noordoosten van Londen. Omstreeks 60 na Chr. – na de dood van haar man koning Prasutagus – kwam ze in opstand tegen de Romeinen. De aanleiding was een erfeniskwestie. Haar echtgenoot was een bondgenoot van Rome geweest en onderdeel van de afspraken die hij had gemaakt, was dat de helft van zijn koninkrijk na zijn overlijden zou vervallen aan zijn twee dochters en de andere helft aan de keizer. Tegen alle afspraken in confisqueerden de Romeinen het grondgebied van de Iceni en namen een aanzienlijk aantal stamleden gevangen om als slaven te verkopen. Toen Boudicca zich hierover beklaagde bij de Romeinse autoriteiten, maakten deze op een afschuwelijke manier duidelijk wie er de baas was: Boudicca werd in het openbaar gegeseld en haar twee jonge dochters werden verkracht. Het zal niemand verbazen dat de koningin der Iceni wraak zwoer. Ze kreeg steun van de buurstam der Trinovanten en opende de aanval op de Romeinse nederzetting Camulodunum, het huidige Colchester. Omdat Gaius Suetonius Paulinus, gouverneur van Brittannië op een militaire campagne was in het noorden van Wales, bij het druïdeneiland Mona, waren Boudicca en haar bondgenoten aanvankelijk succesvol in de strijd. Na Camulodunum werden ook Londen en Saint Albans aangevallen en met de grond gelijk gemaakt. Boudicca nam geen gevangenen – haar strijd was bedoeld om alle Romeinen en hun vazallen die zich op Brits grondgebied bevonden te elimineren en dat deed zij niet bepaald op zachtzinnige wijze.

Uiteindelijk werd de confrontatie met de troepen van Suetonius Paulinus onvermijdelijk. Volgens Tacitus betraden meer dan 200.000 Britse opstandelingen het slagveld, tegenover pakweg 10.000 Romeinen. Maar aantallen zijn niet allesbepalend; door op een optimale manier gebruik te maken van het terrein, door hun linies compact te houden en bogend op een stalen discipline, wisten de Romeinen de veldslag uiteindelijk te winnen. 80.000 Britse slachtoffers waren volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus te betreuren, terwijl de Romeinen slechts 400 man verloren.

Over het lot van Boudicca en haar twee dochters bestaat onduidelijkheid. Volgens Tacitus pleegde ze zelfmoord, volgens de historicus Cassius Dio stierf ze aan een dodelijke ziekte en werd ze met veel pracht en praal begraven.

In De Veleda-voorspelling is de hoofdpersoon, de Friese priesteres Elfleda, getuige van de laatste fase van de opstand. De gebeurtenissen rond Boudicca zijn het omslagpunt in haar houding ten opzichte van de Romeinen. Ze leert dat – als je deze wereldmacht wilt verslaan – je meer nodig hebt dan een numerieke meerderheid op het slagveld. De nederlaag van Boudicca doet Elfleda veranderen. Ze beseft dat de vrijheid die ze nastreeft voor haar eigen mensen een uitgekookte en realistische strategie vereist. Het zal pakweg negen jaar duren voordat de mogelijkheid zich aandient om zich van het Romeinse juk te bevrijden. En hoe Elfleda via de beroemde zieneres Veleda betrokken raakt bij deze vrijheidsstrijd is te lezen in deel twee en drie van de Veleda-trilogie, als we eindelijk toekomen aan de beroemde opstand der Bataven tegen Rome. Maar wijs geworden door de tragische afloop van Boudicca’s strijd zal Elfleda zal zich niet zomaar in deze strijd werpen, een gewaarschuwd mens telt voor twee…

Numisantica/Wikimedia Commons

 

 

 

 

 

 

Deel 13: Altijd lastig, die Friezen

Waarom is het zo leuk om te werken aan een historische roman? Dat komt mede omdat je tijdens de researchfase zulke interessante dingen tegenkomt. Neem bijvoorbeeld de Friezen, en dan bedoel ik niet de huidige bewoners van het gebied dat we nu Friesland noemen. Zij stammen af van Saksische stammen die tijdens de volksverhuizing het gebied in gebruik namen nadat het sinds de tweede eeuw na Chr. praktisch onbewoonbaar was geworden wegens de stijgende zeespiegel. De oude Friezen waren bijtijds de Noordzee overgestoken, net als enkele andere Germaanse stammen zoals de Angelen en de Saksen.

In de oudheid worden deze oude en zeer inspirerende Friezen in verschillende bronnen genoemd, onder andere bij de Romeinse historicus Cornelius Tacitus en bij Plinius de Oudere. Uit hun geschriften wordt niet glashelder wie je nu precies tot de Friezen moet rekenen. Er waren Grote Friezen en Kleine Friezen, er waren Frisiavonen en Grote en Kleine Chauken, die wellicht geen echte Friezen waren, maar wel meestal met hen in één adem worden genoemd. Wat we wél weten is waar ze ongeveer woonden: langs de Noordzee- en Waddenkust, vanaf de Schelde tot in Noord-Duitsland. Daarbij is het overigens wel belangrijk om te weten dat je indertijd vanaf wat we nu West-Friesland noemen via een dik veenpakket van vele kilometers breed zo kon doorlopen naar de huidige provincie Friesland. Het was dus één aaneengesloten gebied.

De Romeinse bronnen verwijzen enkele malen naar de Friezen. Zo vermeldt Tacitus dat deze stam een Romeinse invasievloot hielp toen die schipbreuk leed op de Wadden. Verder deden de Friese krijgers, verkenners en tolken mee aan verschillende militaire campagnes tegen Germaanse stammen. De Friezen en de Romeinen gingen met elkaar om als bondgenoten, maar daarvoor dienden de Friezen wél belasting te betalen in de vorm van levering van manschappen in de hulptroepen van de Romeinen en door de levering van runderhuiden. Dat ging allemaal in redelijke pais en vree, tot het jaar 28 na Chr. Toen besloot een inhalige Romeinse commandant ineens dat de Friezen niet genoeg belasting betaalden. Hij liet een aantal Friezen in de boeien slaan om als slaaf verkocht te worden, hetgeen leidde tot een opstand die de Romeinen duur kwam te staan. Nadat ze eerst in ‘het heilig woud van Baduhenna’ in de pan waren gehakt, vluchtten enkele honderden Romeinen naar de villa van ene Cruptorix, een oudgediende Friese veteraan die in de Romeinse hulptroepen dienst had gedaan. Dat hadden ze beter niet kunnen doen, want deze Cruptorix dreigde de vierhonderd vluchtelingen te verraden, waarna zij massaal zelfmoord pleegden.

Cruptorix was overigens niet de enige Fries die omstreeks die tijd in Romeinse dienst was geweest, want in het CIL, ofwel het Corpus inscriptionum Latinarum (het centraal register van Romeinse inscripties) komen we één Friese en één Frisiavoonse lijfwacht tegen van Nero Drusus de Oudere (de zoon van de veldheer Germanicus), aangetroffen in diens mausoleum in Rome. Hun namen waren Bassus en Hilarus, ze werden respectievelijk 40 en 33 jaar oud. De Friezen kwamen ook in Rome op bezoek, getuige het fragment uit de Jaarboeken van Tacitus, wat beschrijft dat omstreeks het jaar 58/59 twee Friese koningen, genaamd Malorix en Veritus, een bezoek brachten aan keizer Nero.

Tijdens de opstand van de Germaanse stammen, na de dood van Nero, waren ook de Friezen actief. Met wisselend succes overigens, want een Fries cohort dat belast was met de verdediging van de stad Colonia Agrippinensium (Keulen) werd door de Romeins gezinde bevolking van die stad dronken gevoerd en vervolgens in hun slaap vermoord.

Een apart volkje, die oude Friezen. Het is jammer dat er – behalve de subjectieve Romeinse bronnen – geen andere geschreven informatie uit die tijd over hen bestaat. Gelukkig besteedt de archeologie juist weer wel veel aandacht aan de Friezen. In Castricum, in het Huis van Hilde, het bezoekerscentrum van het Archeologisch Depot van de provincie Noord-Holland, is veel over de oude Friezen te vinden. Hieronder een afbeelding van een schijffibula, die werd gevonden bij een offerplaats in Velserbroek. Toen deze in 1991 werd opgegraven bleek het een spectaculaire cultusplek te zijn geweest waarvan de archeologische vondsten teruggaan tot aan het midden van de IJzertijd, 600 voor Chr. Ooit moet het een moerasje zijn geweest, waar men offerde aan de geesten die er huisden. Later werd er een takkenweg doorheen aangelegd en halverwege de eerste eeuw na Chr. werd dit opgehoogd tot een 120 meter lange dijk van wit zand, met graszoden aan beide kanten, dwars door een moeras dat qua watervoorziening werd gevoed door een omgelegd kanaaltje vanuit het veen. Links en rechts van de groen-witte dijk werd door de archeologen een massa geofferde fibula’s, speerpunten, munten en andere metalen voorwerpen aangetroffen. De richting waarin de langgerekte offerplaats liep doet vermoeden dat de cultusfunctie iets te maken kan hebben gehad met de zonnewende.

Meer weten over dit soort vondsten? Breng een bezoek aan het Huis van Hilde. Van harte aanbevolen. En misschien ook leuk om te weten: in De Veleda-erfenis, het laatste deel van de trilogie dat binnenkort verschijnt, komt een hoofdstukje voor dat zich op deze locatie afspeelt.

Schijffibula uit Velserbroek. © Provinciaal Depot voor Archeologie Noord-Holland

 

 

 

 

 

 

 

Deel 12: Wat heb je aan die oude verhalen?

Van de geschiedenis kun je leren. Deze zin is even dood als alle Romeinen en Germanen waarover ik schrijf in de Veleda-trilogie. Hoezo leren? Ik zie beelden voor me van gortdroge geschiedenisdocenten die eindeloze rijtjes historisch belangrijke jaartallen opsommen. Achterhaald beeld in het moderne onderwijs? Ik mag hopen van wel, maar gezien de populariteit van het fenomeen canon is het “jaartallen-rijtjes-denken” in sommige kringen weer springlevend.

Wat heeft geschiedenisonderwijs met het vertellen van spannende of meeslepende verhalen te maken? Ik kan daar kort in zijn: alles. Als je de mazzel had een geschiedenisdocent op school te hebben gehad die goed kon vertellen, is de kans groot dat je daar je liefde voor de historie aan te danken hebt. En daarbij: geschiedenis komt voor uit het fenomeen vertelkunst. Historici duiden het als ‘orale traditie’ – dat klinkt reuze wetenschappelijk, maar ik zie vooral simpele beelden voor me. Mensen van vroeger die rond een haardvuur zitten en – bij gebrek aan boeken, televisie en Netflix – luisteren naar iemand die in staat is om mooie spannende verhalen te vertellen. Hij of zij begint de avond wellicht met het delen van gezamenlijke herinneringen aan de ouders, grootouders of andere familie- of stamleden die de andere aanwezigen ook hebben gekend, maar daarna deelt hij de herinneringen die hem zijn overgeleverd door vertellers die vóór hem hebben geleefd. En hupsakee: de orale traditie is geboren. Met voor- en nadelen.

De voordelen zitten in het feit dat hierdoor de geschiedenis van deze specifieke groep mensen niet verloren ging en zij daardoor hun gevoel van saamhorigheid stimuleerden. Maar het nadeel is dat de verhalen in de loop der tijd steeds spannender en grootser werden. Zo werkt dat nu eenmaal: de vertellers wilden hun zo spannend of meeslepend mogelijk verhaal vertellen, dus belangrijke voorouders kregen welhaast bovenmenselijke kwaliteiten toebedeeld of nog mooier: ze kregen een goddelijke status. En mettertijd kregen de verhalen ook een maatschappelijke of politieke bijbedoeling, ze werden dikwijls propagandistisch van aard.

Oké, aardige observaties allemaal, maar wat heeft dit te maken met het schrijven van historische romans? Ondermijnt het vertellen van historisch getinte verhalen niet juist de betrouwbaarheid van het vak geschiedenis? Ik denk van niet. In tegenstelling tot geschiedkundige studies en tekstboeken, claim ik niet “de waarheid” te vertellen. Het zijn verhalen, gesitueerd in het verleden, meer niet. En ze dienen geen ander doel dan de lezers op een aangename manier te verpozen en hen in staat te stellen zich te verliezen in een spannende vertelling. Bijkomend voordeel is dat mogelijk de interesse van de lezers wordt gewekt om zich nader in de geschiedenis te verdiepen. Welke elementen in het verhaal berusten op ware gebeurtenissen? Wat is erbij bedacht? Welke personages hebben echt bestaan? Uit reacties van mijn lezers maak ik op dat velen van hen er geregeld even een boek of internet erop naslaan om te zien hoe de geschiedenis werkelijk in elkaar steekt. Hoe zat dat precies met die Julius Civilis? En de Veleda? En Claudius Labeo? En Vespasianus? En Caenis? En koningin Boudicca? En al die andere tientallen namen van dooie mensen en eeuwenoude gebeurtenissen die je in de Veleda-trilogie terugvindt?

Ik hoop dat mijn verhalen de nieuwsgierigheid van de lezers zodanig prikkelen dat ze de geschiedenis weer interessant gaan vinden en meer waardering krijgen voor al het belangrijke wetenschappelijke werk dat historische, archeologische en antropologische experts en beoefenaars van levende geschiedenis verrichten. Want laten we eerlijk zijn: zonder hun werk, vakmanschap, vasthoudendheid, inventiviteit en inspiratie zou ik mijn verhalen nooit geschreven kunnen hebben. Mijn boeken zijn bedoeld als slagroom op de taart, als smaakmaker. En kun je er iets van leren? Ja. Wat mij betreft één ding, namelijk dat er in historische zin nog oneindig veel te ontdekken en te verhapstukken valt. Eet smakelijk allemaal!

Romeinse school, reliëf omstreeks 180 na Chr., te zien in het Rheinisches Landesmuseum Trier, foto: © Wikipedia/Shakko, Wikimedia Commons

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deel 11: Elfleda, een jonge vrouw van toen of van nu?

In de Veleda-trilogie is de hoofdpersoon een vijftienjarige Friese priesteres, genaamd Elfleda. Ze komt op deze jeugdige leeftijd als gijzelaar namens haar stam in Rome terecht. Dat is jong, maar in deze periode van de geschiedenis keek men anders tegen leeftijden aan dan tegenwoordig. Meisjes trouwden vanaf hun twaalfde en veel jonge mannen bekleedden al belangrijke posities tijdens hun tienerjaren. Omdat veel mensen op relatief jonge leeftijd overleden was de doorloopsnelheid van het leven natuurlijk iets hoger dan nu.

Het eerste wat ik me afvroeg bij de creatie van mijn Elfleda personage was natuurlijk wat voor karakter ze zou moeten hebben en hoe ik haar betekenis kon geven voor onze huidige tijd. Toen ik aan de trilogie begon had niemand nog gehoord van Gretha Thunberg, maar achteraf gezien zou deze dappere activiste uit Zweden zeker model hebben kunnen staan voor “mijn” Elfleda.

Eén van de eerste problemen die ik als auteur moest oplossen waren de profetische gaven waarmee ik Elfleda wilde opzadelen. Hoe kun je voor de tegenwoordige lezer zoiets geloofwaardig over laten komen zonder van je hoofdpersonage een karikatuur te maken? De oplossing bleek simpeler dan ik aanvankelijk dacht: ik besloot dat Elfleda zelf kritisch moest staan ten opzichte van de profetieën die haar ‘overkwamen’. Sterker nog: ze wil eigenlijk helemaal niks van weten van die hocuspocus en juist daardoor won niet alleen zij als personage aan geloofwaardigheid, maar gold datzelfde voor de visoenen die ze kreeg. Die kwamen niet voort uit Elfleda zelf, maar werden veroorzaakt door hogere machten.

Verder besloot ik Elfleda eveneens kritisch te laten zijn ten opzichte van de goden en godinnen die een zo belangrijk deel uitmaakten van haar leven als priesteres. In een boek is niets zo saai als een personage dat overtuigd is van zichzelf, die alles kan en geen problemen heeft. En dus moest het ontluikende priesteressenbestaan van Elfleda diepgang krijgen door haar op een intense manier te laten twijfelen aan de goden en godinnen die ze eerde door hen te dienen. Nergens in het verhaal neemt ze hogere machten voor lief, goden zijn ook maar (bedacht door) mensen, hoor je haar denken. Slechts aan één godin twijfelt ze geen moment en koestert ze een heilig ontzag en dat is Moeder Aarde. Daar komt ook Elfleda’s niet te stuiten drang vandaan om alles te willen weten van de natuur en de bijzondere eigenschappen van onze planeet die ons in staat stellen om überhaupt te kunnen voortbestaan. De geheimen en zegeningen van Moeder Aarde, vormen de kern van Elfleda’s spirituele reis.

En hoe groot wordt de schok dan wel niet als Elfleda na een tocht van enkele maanden dwars door Europa in Rome terecht komt, wat mede door de aanzienlijke slavenpopulatie een multiculturele metropool van ruim een miljoen mensen is? Ze wordt in huis genomen door de 35-jarige Gaius Plinius Secundus, die later bekend zou komen te staan als Plinius de Oudere. Deze oud-cavaleriecommandant houdt zich in deze periode verre van het publieke leven; in het Rome van keizer Nero is het niet verstandig om je kop al te zeer boven het maaiveld uit te steken. In plaats van de gebruikelijke bestuurlijke publieke functies die een man op zijn leeftijd zou bekleden, houdt Plinius zich bezig met andere zaken: hij wijdt zich aan de wetenschap en schrijft boeken. Hij is degene die Elfleda leert lezen en schrijven en voor de Friese priesteres die qua kennisoverdracht uit een orale traditie stamt, gaat er een wereld open. In de omvangrijke bibliotheek van Plinius liggen bergen boekrollen over de meest uiteenlopende onderwerpen, zomaar voor het grijpen.

Met Plinius heeft ze al snel een conflict over het delen van al deze kennis. In de Germaanse en Keltische traditie blijven veel zaken taboe, omdat het niet verstandig is dat deze door iedereen wordt gedeeld. Bepaalde plantensoorten bijvoorbeeld, die een medicinale of dodelijk uitwerking hebben. Of bedwelmende middelen die je in hogere sferen kunnen brengen. Germaanse en Keltische priesters en priesteressen hebben geleerd hier verstandig mee om te gaan. Altijd voorzichtig zijn: kennis is macht, maar die kun je dus ook misbruiken…

En deze observatie brengt me bij het thrillerelement van de Veleda-trilogie. Elfleda komt namelijk niet zomaar in Rome verzeild. Onderweg naar de hoofdstad van het Romeinse rijk brengt ze een bezoek aan de Veleda, de zieneres die bij veel Germaanse stammen als een levende godin wordt vereerd. Zij geeft de jeugdige Elfleda een opdracht mee: namelijk zoveel mogelijk kennis vergaren over de Romeinen, leer hun sterke en zwakke kanten kennen, zodat we hen te zijner tijd ook van binnenuit kunnen bestrijden mocht dat nodig zijn. Kortom, ze reist naar Rome als spionne. En haar cover is perfect: een vijftienjarig meisje, dat twijfelt aan haar eigen bijzondere gaven en de goden en godinnen die ze dient, hoe zou zij Rome ooit in gevaar kunnen brengen? Maar dat moet je zelf maar lezen, dat is zonde om nu al te verklappen.

Het oudst bekende handschrift van een vrouw, een schrijftablet van Claudia Severa, tweede eeuw na Chr., aangetroffen in het voormalige Romeinse fort Vindolanda, nabij de muur van Hadrianus. Foto: Victuallers, met dank aan Vindolanda, source: Wikimedia commons

Vrouw (Sappho) met schrijftablet, aangetroffen in Pompeii. Te zien in het Nationaal Archeologisch Museum van Napels. Fotograaf onbekend, source: Wikimedia commons.

 

Greta Thunberg, foto: Anders Hellberg, source: Wikimedia Commons

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deel 10: De creatie van een hoofdpersoon

Het belangrijkste personage in de Veleda-trilogie is de jonge Friese priesteres Elfleda. Van alle personen die je in het verhaal tegenkomt is zij de enige die volledig uit mijn fantasie is voortgekomen, maar dat betekent gek genoeg niet dat zij geen historische grondslag zou hebben. Het idee voor haar creatie werd geboren tijdens de bestudering van de tekst op de grafsteen van Sextus Valerius Genialis, de Frisiavoonse cavalerist in Romeinse dienst die omstreeks 60 na Chr. om het leven kwam, tijdens de oorlog met de Britse stam der Iceni onder leiding van koningin Boudica. Op het grafmonument staat te lezen dat het is opgericht door de nazaten van de overledene. Nazaten… het zette me aan het denken… in principe zouden dat dat zowel zonen als dochters kunnen zijn.

Dat ik voor de tweede optie koos, kwam door een bijzondere passage in Germania, een antropologische studie van de Germaanse stammen, geschreven door de Romeinse historicus Cornelis Tacitus, omstreeks 98 na Chr. Het was in die tijd bij de Romeinen gebruikelijk om gijzelaars te verlangen als er een bondgenootschap werd afgesloten met een ander volk of een barbaarse stam. De keuze viel meestal op kinderen van vooraanstaande stamleden of vorsten. Deze jeugdige gijzelaars werden naar Rome overgebracht en aldaar met alle egards behandeld. Ze groeiden op in hofkringen, leerden lezen en schrijven en kregen een gedegen Romeinse opvoeding. In feite was het een soort van cultuurpolitiek die werd bedreven, want als deze kinderen oud genoeg waren om terug te keren naar hun eigen land waren ze zo geromaniseerd, dat ze vanzelf ook de Romeinse manier van leven met zich meenamen naar huis. En wat schrijft Tacitus nou precies dat mij zo intrigeerde? Welnu, dat is het volgende zinnetje:

‘Ja, men kan stammen des te beter loyaal houden (NB: als je een bondgenootschap afsluit) als er onder de te leveren gijzelaars ook meisjes van adel zijn.’ En het werd helemaal interessant toen ik de zinnen las die hierop volgden: ‘Vrouwen hebben volgens de Germanen zelfs iets sacraals en profetisch. Hun adviezen worden niet terzijde geschoven, hun uitspraken niet genegeerd. Onder de regering van de goddelijke Vespasianus hebben wij kunnen zien hoe (de) Veleda lange tijd bij velen doorging voor een goddelijk wezen. Maar ook eerder hebben ze vrouwen vereerd, zoals Aurinia en vele anderen.’ (vertaling: Vincent Hunink).

En dit lezend wist ik het zeker: mijn hoofdpersoon, die ik inmiddels Elfleda had gedoopt, hetgeen ‘nobele schoonheid’ betekent, moest een jonge vrouw worden, gezegend met profetische gaven, die namens haar stam als gijzelaar naar Rome wordt gestuurd.

In het verhaal komt Elfleda niet terecht aan het Hof, maar bij Plinius de Oudere. En ook daar had ik een historisch plausibele reden voor: haar vader, Sextus Valerius Genialis, over wie ik gisteren schreef, was cavalerist in het Romeinse leger. Plinius, commandant van een voornamelijk uit buitenlandse ruiters bestaande Romeinse cavalerie-ala, was twaalf jaar als officier werkzaam en woonachtig in zowel Boven als Beneden-Germania, onder meer in Castra Vetera, een Romeins legioenskamp op een dagmars afstand van Nijmegen. Zou het kunnen dat Plinius in zijn hoedanigheid als cavalerieprefect een geromaniseerde cavalerist en onderofficier als Sextus Valerius Genialis heeft gekend? Er is geen historisch bewijs voor, maar aannemelijk is het wel, zeker in een fictieverhaal. Ze leefden in dezelfde tijd, ze waren werkzaam in dezelfde branche, het negende legioen waar Sextus deel van uitmaakte moet Castra Vetera onderweg hebben aangedaan toen ze onderweg waren naar Brittannië, ergo: ze zouden elkaar gekend kunnen hebben.

Tot slot: bij welke gelegenheid zou ‘mijn’ Elfleda als gijzelaar naar Rome uitgezonden kunnen worden? Ook hier werd ik geholpen door Tacitus, die in zijn Jaarboeken beschrijft hoe twee Friese koningen, Malorix en Veritus genaamd, omstreeks 58/59 na Chr. een bezoek brengen aan Rome om met keizer Nero te onderhandelen over weidegronden die ze in gebruik willen nemen ten zuiden van de Rijn. Ze zullen een nieuw verbond hebben willen afsluiten en dus zouden er ook weer gijzelaars in Rome achtergelaten moeten worden. ‘Ja, men kan stammen des te beter loyaal houden,’ schreef Tacitus, ‘als er onder de te leveren gijzelaars ook meisjes van adel zijn.’ En zo kwam “mijn” Elfleda dus in Rome terecht. Maar hoe en waarom ze in contact kwam met Plinius de Oudere, dat moet je zelf maar lezen in deel 1 van de trilogie, De Veleda-voorspelling.

 

Borstplaat van een paardentuig, gevonden in Castra Vetera, met daarin middels puntjes de naam gestempeld van Plinius, de commandant van deze cavalerie-eenheid. Collectie: British Museum. Foto: © Livius/Jona Lendering

 

Deel 9: Een Friese cavalerist in Romeinse dienst

Als schrijver van historische verhalen ben ik dol op petit histoire, voetnoten en de schijnbaar minder belangrijke kleine details, kortom: het kruimelwerk in de marge van de grote lijnen der geschiedenis. Waarom dit soort kleine onderwerpen aan romanschrijvers juist een schat aan verhaalmogelijkheden bieden, wil ik proberen uit te leggen aan de hand van Sextus Valerius Genialis, een geromaniseerde cavalerist uit de stam der Frisiavonen, die omstreeks het jaar 60 na Chr. in Brittannia het leven liet.

Maar eerst een korte verklaring waarom de grote namen uit de geschiedenis minder geschikt zijn als hoofdpersoon voor een fictieve vertelling. De reden hiervoor is simpel: ze zijn te bekend. Dus ofwel blijf je binnen grenzen van wat we weten, maar dan ben je als schrijver aan het herkauwen en dat is nooit interessant; ofwel je neemt de vrijheid om er een nieuw personage van te maken, maar dan krijg je iedereen over je heen omdat het niet klopt met datgene wat over hem of haar bekend is. Veel handiger is het daarom om een onbekend persoon als hoofdpersoon te nemen.

In deel 1 van de Veleda-trilogie wordt ruimschoots aandacht besteed aan de opstand van Boudicca, koningin van de Britse stam der Iceni, die woonachtig was in de regio Norfolk, Suffolk en Cambridgeshire, pakweg honderd kilometer ten noordoosten van Londen. Aanleiding tot de revolte was de wrede manier waarop de Iceni en hun vorstin werden behandeld na de dood van koning Prasutagus, de echtgenoot van Boudicca. Van Sextus Valerius Genialis weten we dat hij als cavalerist meevocht aan Romeinse zijde bij de onderdrukking van deze opstand. Volgens zijn grafsteen was hij decurion van zijn eigen turma, een ruitereenheid van tweeëndertig man, die deel uitmaakte van de cavalerievleugel van het Negende Legioen. Deze eenheid van pakweg vijfhonderd man bestond oorspronkelijk uit Thracische ruiters en dus was het naar hen vernoemd, maar in de loop der tijd werd het aangevuld met cavaleristen uit andere volkeren en stammen, zoals Sextus Valerius Genialis. Het feit dat deze Frisiavoon een Latijnse naam had, duidt op een zekere mate van romanisering, hij was waarschijnlijk als cliënt verbonden aan de gens (of familiegroep) der Valerii, een oud Romeins geslacht met veel macht en aanzien. Uit onderzoek weten we dat de grafsteen stamt uit de periode van Boudicca, dus voor mij als schrijver is het niet onlogisch om aan te nemen dat hij tijdens de opstand is gesneuveld. Dat is een artistieke vrijheid die ik me graag permitteer, zeker gezien het feit dat deze aanname redelijk realistisch is. Door het verhaal van Boudicca deels te vertellen vanuit het perspectief van Sextus Valerius Genialis, kon ik deze historische gebeurtenis een prominente plek geven in mijn verhaal zonder mijn vingers te branden aan Boudicca als hoofdpersoon.

Maar de figuur van Sextus Valerius Genialis bood me ook andere verhaalmogelijkheden. Ten eerste zijn afkomst. Op de grafsteen die door zijn nazaten is opgericht staat vermeld dat hij afkomstig is uit de stam der Frisiavonen. In antieke bronnen kom je de naam van deze stam alleen tegen bij Plinius, maar waar deze stam precies woonde of wat hun relatie was tot de Friezen, daar zijn de dames en heren archeologen en historici het niet over eens. Vervelend voor de historische wetenschap, maar voor mij als schrijver ideaal. Ik heb gekozen voor een van de meer gangbare theorieën; namelijk dat de Frisiavonen binnen de grenzen van Romeinse rijk woonden, maar wellicht cultureel verwant waren aan de ‘vrije’ Friezen, ten noorden van de Rijn.

Dat de grafsteen werd opgericht door de nazaten van Sextus werd ook een uitgangspunt voor mijn verhaal, want ik heb één van hen tot de absolute hoofdpersoon van de Veleda-trilogie verheven. En hoe en waarom zij (jawel: het betreft geen man, maar een jonge vrouw) in mijn verhaal de verbindende figuur kon worden tussen de grote historische namen als keizer Nero, koningin Boudicca, Plinius de Oudere, de Bataafse opstandelingenleider Julius Civilis en de Germaanse zieneres de Veleda? Bij deze alvast haar naam: Elfleda, hetgeen zoiets betekent als ‘nobele schoonheid’.

De grafsteen van Sextus Valerius Genialis. Te zien in het Corinium Museum in Cirencester, Engeland. Foto’s: © Corinium Museum, UK

Een reconstructie van de bepantsering en bewapening van Sextus Valerius Genialis, te zien in het Corinium Museum in Cirencester, Engeland. Foto’s: © Corinium Museum, UK

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deel 8: Plinius en de goden

Een van de grootste problemen waar je als schrijver van historische fictie tegenaan loopt, zijn de enorme cultuurverschillen met vroeger tijden. Wij zijn na twintig eeuwen van dominante christelijke ‘waarden’ en tradities bijvoorbeeld zo gehersenspoeld dat het ons moeite kost om het polytheïsme uit het verleden serieus te nemen. Sterker nog: we zijn zelfs geneigd om ons geringschattend uit te laten over die “gebrekkige” heidense goden die “alleen maar in het leven zijn geroepen om verschijnselen te verklaren die de mensheid toentertijd niet begreep”. Zoals Donar, ter verklaring van donderbuien en bliksem. Of de god Neptunus, die oceanen kon opzwepen tot gevaarlijke stormen. De meeste goden hadden slechts één hoofdgebied waarmee ze zich bezighielden, maar de christelijke God – zo werd er in zijn algemeenheid verkondigd – was er voor alles en iedereen.

De godenzijdank lopen er in de wereld ook historici, filosofen, antropologen, archeologen en godsdienstwetenschappers rond die wél genuanceerd tegen dit soort zaken aankijken en die schrijvers van historische romans kunnen helpen om hun bevooroordeelde christelijke bril af te zetten, zodat ze nog beter in de huid van hun hoofdpersonages kunnen kruipen.

In mijn geval was een andere optie om te duiken in datgene wat mijn historische hoofdpersoon, Plinius de Oudere, zelf over dit soort onderwerpen te melden had. Laten we beginnen met de eerste regels van zijn meesterwerk de Naturalis Historia, waarin hij een inleiding geeft op hoe de kosmos in elkaar steekt. Net als de voorgaande dagen zijn alle Plinius-citaten vertaald door Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters.

‘De kosmos en wat er verder ook is dat men met een andere naam hemel belieft te noemen, onder welk uitspansel alle leven zich afspeelt, wordt door de mensen met recht beschouwd als een eeuwige, onmetelijke godheid die niet is ontstaan en nooit zal vergaan.’

Ik weet niet hoe deze welhaast filosofische observatie op de gemiddelde lezer overkomt, maar het is duidelijk dat Plinius er geen simplistische ideeën op nahoudt. Sterker nog: hij is kritisch op zijn goedgelovige tijdgenoten:

Ik denk daarom dat het een bewijs van menselijke zwakte is een afbeelding en een gestalte van god te zoeken. (…) De broosheid en moeizaamheid van het sterfelijk bestaan heeft, rekening houdend met zijn eigen zwakte, de godheid zo in onderdelen gesplitst, zodat iedereen apart dat aspect kon vereren waar hij het sterkst behoefte aan voelde. Daarom treffen we verschillende benamingen aan bij verschillende volkeren en ontelbare godheden bij alle.’

Het moge duidelijk zijn, Plinius is niet voor één godheid te vangen en impliceert dat het vooral de mens is die zijn eigen goden heeft geschapen. Hij gaat zelfs een stapje verder en vraagt zich af of ‘wij er goed aan doen om te geloven, of moeten we juist betwijfelen dat het hoogste wezen, wat het ook moge zijn, zich bekommert om de menselijke besognes.’

Geen goddelijke interventies in het dagelijks leven dus, in de optiek van Plinius. Maar wel oneindig veel mensen die zich laten misleiden door religieuze praktijken: ‘Ze onderwerpen zich aan exotische riten en dragen goden aan hun vingers, ze aanbidden monsters, doen eetwaren in de ban en verzinnen nieuwe, leggen zichzelf gruwelijke taboes op die hun zelfs geen rustige slaap gunnen. Ze gaan geen huwelijk aan, willen geen kinderen, nemen kortom geen enkele beslissing, tenzij de offers een gunstige uitslag voorspellen.

In de Veleda-trilogie ontfermt Plinius zich over een jonge Friese priesteres die als gijzelaar namens haar stam naar Rome is gezonden. In het verhaal probeer ik te schetsen hoe haar polytheïstische geloofssysteem, een natuurreligie, botst met de filosofische opvattingen van Plinius. Maar hoe verschillend ze ook zijn, ze koesteren allebei diepe gevoelens voor die ene godin die ons voorziet van onze elementaire levensbehoeften zoals voedsel, water en beschutting: Moeder Aarde. Zonder haar goede zorgen zou geen enkele vorm van leven mogelijk zijn. Helaas werd het geloof in deze moederlijke godheid door de opkomst van het christelijke, mannelijk getinte, geloof naar de achtergrond gedrongen. Maar met de klimaatcrisis die ons bedreigt, wordt het misschien de hoogste tijd dat we eindelijk wat minder vertrouwen stellen in die ene christelijke god die hoog in de hemel is en weer wat meer respect gaan tonen voor Moeder Aarde, die daadwerkelijk voor ons zorgt. Ze heeft onze dank dubbel en dwars verdiend.

De moedergodin Tellus (of Terra) Mater, onderdeel van de Ara Pacis, eerste eeuw na Chr. foto: xlibber, Wikimedia Commons

 

Deel 7: Plinius en geld (stinkt niet, of toch een beetje?)

Pronkzucht, hebzucht en exorbitante rijkdom waren zaken waar Plinius de Oudere een gruwelijke hekel aan had. ‘Geld lag ten grondslag aan hebzucht omdat men lenen tegen rente bedacht en daarmee een lucratief bestaan zonder inspanning,’ schrijft Plinius in boek 33 van zijn meesterwerk Naturalis Historia (vertaald door Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters). ‘In vroeger tijden bestond er geen getal boven honderdduizend,’ klaagt Plinius verder, ‘daarom tellen wij tegenwoordig nog door middel van vermenigvuldiging, zodat we spreken van “tienmaal honderdduizend” of grotere eenheden. (…)

Als Plinius zich al opwond over mensen die rente rekenden, dan zou hij zich in onze tijd helemaal groen en geel hebben geërgerd aan fenomenen als de aandelenbeurs of nog erger: de optiehandel. Mensen die door middel van spelen en gokken met geld hun kapitaal verdienen zouden hem een gruwel zijn geweest.

Plinius, die zelf ook niet bepaald onvermogend was, besteedde zijn eigen geld niet aan gouden plafonds of dure sieraden, zoals veel van zijn tijdgenoten. Zijn kapitaal verdween in boeken en de aanschaf van dure welopgeleide slaven die hem in zijn wetenschappelijke werk terzijde stonden, die hem voorlazen als hij per draagstoel onderweg was, die uittreksels maakten van geschriften die hij interessant vond en met de hand (uiteraard) afschriften vervaardigden van de boeken die Plinius graag in zijn bezit had. Men heeft zich dikwijls verbaasd over de enorme productiviteit die hij als auteur aan de dag legde, maar als je leest wat neef Plinius de Jongere over de dagindeling en werkwijze van zijn oom schrijft, dan wordt duidelijk dat de schrijverij van Plinius geen eenmansbedrijf was. Hij had een heel team om zich heen.

Iemand die ook bepaald niet vies was van geld was keizer Vespasianus, met wie Plinius goede contacten onderhield. Het gezegde ‘Pecunia non olet’ ofwel ‘geld stinkt niet’ wordt aan Vespasianus toegeschreven, vanwege de belasting die hij had ingesteld op het gebruik van toiletten. Toen zijn zoon Titus daar kritiek op uitte kreeg hij van zijn vader te horen: pecunia non olet. In de Naturalis Historia geeft Plinius eigenlijk een veel logischer verklaring voor de herkomst van dit gezegde:

‘Koning Servius heeft als eerste bronzen munten laten slaan. Timaeus (NB: een geschiedschrijver) vermeldt dat men voordien in Rome ongemunt brons gebruikte. Het werd gestempeld met de afbeelding van een stuk vee (pecus), vandaar het woord pecunia.’ 

Wanneer je bedenkt dat voordat deze baren brons gangbaar werden, vee als ruil- of betaalmiddel werd gebruikt, ligt de conclusie voor de hand dat je kunt zeggen dat ‘pecunia’ – in tegenstelling tot ‘pecus’ – niet stinkt.

De tijd waarin Plinius leefde kende een maatschappij waar veel – zo niet alles – draaide om hoeveel kapitaal je bezat. Als je toe wilde treden tot de klasse der senatoren diende je een minimumvermogen van minstens een miljoen sestertiën te hebben, om toe te treden tot de stand der equites, ofwel ridders, diende je 400.000 sestertiën te bezitten. Dat deze eisen werden gesteld had ook te maken met het feit dat je als bestuurder in Rome geen salaris ontving, sterker nog, je werd geacht uit eigen middelen spelen te organiseren en publieke werken te financieren. Je werkte voor de eer, maar dat werd overigens wel weer ruimschoots gecompenseerd door bestuursfuncties in de provincies, waar je door middel van belastingen en het accepteren van smeergeld stinkend rijk kon worden. Dat ze de provinciale bevolking financieel konden uitzuigen is een smet op de Romeinse bestuursethiek, maar dat van rijke senatoren en equites werd verwacht dat ze uit eigen zak bijdroegen aan publieke zaken als wegenbouw, onderwijs, weeshuizen, watervoorzieningen, theater, kunst en spelen voor het volk, dat spreekt me dan weer wél aan. Alhoewel… de zogeheten trickle down economy die men in sommige kapitalistische kringen (met name in de VS) bepleit, was een variant op dit principe en het heeft alleen maar geleid tot een nog grotere kloof tussen arm en rijk. Gelukkig heeft Plinius zijn geld in wetenschappelijke boeken, cultuur en geschiedschrijving geïnvesteerd. Hij heeft er in zekere zin zijn eigen onsterfelijkheid mee gefinancierd en dat kun je van veel zijn stinkend rijke tijdgenoten niet zeggen…

Schilderij van de Nederlands-Britse schilder Lourens Alma Tadema getiteld ‘De kunstliefhebber’ (1870), mooi voorbeeld van Romeinse rijkdom. Foto van: John Neinhuis, Milwaukee Art Museum, Wikimedia.

 

Deel 6: Plinius en een duurzame wereld

Laat ik vooropstellen: geschiedenis is een geweldig tijdverdrijf. Zeker in de omstandigheden waarin we nu verkeren en we amper kunnen reizen; dan zijn er altijd nog die geweldige historische boeken, documentaires, podcasts, blogs, websites, Facebookgroepen, films en historische romans waarin je op een andere manier kunt reizen, namelijk door de tijd. Maar geschiedenis is ook een vak, beoefend door dikwijls innovatieve personen, die proberen van iedere korrel historische of archeologische informatie een samenhangend verhaal te bakken. Van de geschiedenis kun je leren, hield de heer Meulenberg, mijn geschiedenisdocent op de middelbare school me voor. Hij had gelijk en ongelijk. Je kunt ervan leren, maar dan moet je dat wel doen. En sommige mensen leren juist de verkeerde dingen uit de geschiedenis, zoals de oranje schreeuwlelijk heeft bewezen, die vier jaar lang president van de VS is geweest en wiens naam ik – in de geest van de Romeinse damnatio memoriae – niet meer wil noemen.

Vandaag aandacht voor iemand van wie ik nog steeds iedere dag wil leren en dat is de Romeinse schrijver, wetenschapper, militair en staatsman Gaius Plinius Secundus. Als bijna geen andere Romeinse auteur zijn veel passages in zijn werk ook nog relevant voor de tijd waarin wij leven en daarom is hij zo’n geschikte figuur om als hoofdpersonage ten tonele te voeren in mijn Veleda-trilogie. Als je een historische roman schrijft moet dat evenzeer over het verleden gaan als over het heden.

Een van de meest treffende passages uit het werk van Plinius gaat over mijnbouw. In het midden van de jaren zeventig van de eerste eeuw na Chr. werd Plinius door keizer Vespasianus als procurator afgevaardigd naar de provincie Hispania Tarraconensis, pakweg het noorden en noordwesten van het huidige Spanje. Daar verdiepte Plinius zich onder meer in de mijnbouw. Plinius, die een gruwelijke hekel had aan de exorbitante hebzucht en luxe die veel van zijn tijdgenoten tentoonspreidden, ergerde zich tevens aan de manier waarop zijn geliefde godin Moeder Aarde werd behandeld. Nadat hij eerst alle zegeningen heeft opgesomd die we te danken hebben aan Terra Mater, beschrijft Plinius hoe afschuwelijk wij mensen haar (bedoeld is Moeder Aarde) op onze beurt behandelen:

‘Niettemin, wat ze te verduren heeft aan haar oppervlakte en de buitenkant van haar huid, dat lijkt nog dragelijk (NB: Plinius bedoelt open mijnbouw), maar wij dringen ook door in haar ingewanden, wroetend naar aders van goud en zilver, naar mijnen van koper en lood, ook edelstenen en bepaalde minuscule kiezels sporen we op door diepe tunnels in haar te boren. Haar ingewanden trekken we naar buiten om een edelsteen te dragen aan dezelfde vinger waarmee die is gezocht. Hoeveel handen worden er niet afgebeuld om één vingerkootje te laten pronken?’ (vertaling van Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters).

En dat je het woord afbeulen letterlijk moet nemen blijkt uit de onderstaande illustratie. Het betreft een van de meest ontroerende grafstenen die we kennen uit de Romeinse tijd. Op de steen staat Quintus Artulus afgebeeld, een kindslaaf van vier of negen jaar oud (daar zijn de historici het niet over eens) die – afgaande op de afbeelding – werkzaam is geweest in een van de vele Spaanse mijnen. De tekst op de steen luidt: ‘qartvlvs/ anorv iiii si [tibi] tera le[vis]’ hetgeen je kunt vertalen als: ‘Quintus Artulus, vier (of negen) jaar, moge de aarde je licht toedekken.’ De kleine jongen is afgebeeld met een pikhouweel en een mand, verwijzend naar het zware leven dat hij als kindslaaf in de mijn moet hebben gehad. Het is overigens onbekend wie opdracht heeft gegeven om deze gedenksteen te laten maken, maar de gedachte dat er tenminste een persoon is geweest die op de een of andere manier toch om dit kind heeft getreurd of zich om hem heeft bekommerd, is een troostrijke gedachte. En in elk geval werd deze kleine jongen – om met de woorden van Plinius te spreken – liefdevol opgenomen in de schoot van Moeder Aarde…

Grafsteen van Quintus Artulus, met dank aan Museo Arquelógico Nacional, Madrid/Santiago lopes-pastor

 

Deel 5: Plinius de Oudere

Het klinkt misschien gek, maar ook de Romeinse schrijver Plinius de Oudere is ooit jong geweest. Dat ik dit benadruk, heeft te maken met het fenomeen dat je als auteur probeert een beeld te vormen van je personages en dat ik de toevoeging ‘de Oudere’ als storend ervaarde. Laat me uitleggen waarom. Gaius Plinius Secundus, zoals hij voluit heette, werd omstreeks 23/24 na Chr. geboren in de Noord-Italiaanse stad Comum, het huidige Como. Aangezien het verhaal in de Veleda-trilogie omstreeks het jaar 59 begint, was hij in mijn beleving nog lang niet oud. Hij was midden dertig en in de kracht van zijn leven. Bovendien was Plinius de Jongere nog niet geboren, vandaar.

Plinius stamde uit een militaire familie. Zijn vader, Gaius Plinius Celer geheten, behoorde tot de stand der equites (ridders). Niet zo hoogverheven als de klasse der senatoren, maar toch aanzienlijk en zeker vermogend, want om tot de stand der equites toe te kunnen treden, diende je een fortuin te hebben van minstens 400.000 sestertiën; ofwel 5000 maal het maandsalaris van een legionair, wat in de eerste eeuw pakweg 80 sestertiën bedroeg.

Rond zijn drieëntwintigste begon de militaire loopbaan van Plinius. Hij deed dienst in Germania, eerst als onderofficier in de infanterie en eindigend in Castra Vetera, het huidige Xanten, als praefectus alae, ofwel commandant van een cavalerie-eenheid van 480 man, die voornamelijk uit buitenlandse huurlingen bestond. Plinius heeft in totaal twaalf jaar doorgebracht in Opper- en Beneden Germania, waartoe je ook onze lage landen moet rekenen. De enige ooggetuige beschrijving van hoe ons land er in de eerste eeuw eruitzag hebben we aan hem te danken. Behalve met militaire taken, hield Plinius zich ook bezig met de wetenschap. Hij was een leergierig mens, hetgeen uiteindelijk uitmondde in zijn levenswerk: een beschrijving van de kosmos en de aarde, met al haar landen en volkeren, flora en fauna, kunst en bodemschatten en bijna ieder denkbaar natuurhistorisch fenomeen dat je je kunt voorstellen. Het werk is getiteld Naturalis Historia, het verscheen omstreeks 79 na Chr. en het is zo omvangrijk dat Plinius er zijn hele leven mee bezig moet zijn geweest. In hedendaagse termen zou je de Naturalis Historia het beste kunnen vergelijken met een niet-alfabetische encyclopedie of Wikimedia. Vanuit zijn interesse in alle volkeren die op de aarde rondliepen, zal Plinius in Germania zijn ogen hebben uitgekeken. Hij schreef onder meer een – helaas verloren gegaan – uitvoerig historisch werk over de talloze oorlogen tussen Rome en de Germanen en vrijwel zeker zal daarin ook een uitgebreide beschrijving hebben gestaan van de Germaanse stammen, die later dienst heeft gedaan als basis voor Tacitus’ antropologische studie Germania, die omstreeks het jaar 98 na Chr. verscheen. Met zijn verzameldrift van kennis zal Plinius ook weet hebben gehad van de bijzondere positie die de zieneres Veleda innam onder de Germaanse volkeren. Castra Vetera, het laatste legioenskamp waar Plinius gelegerd was, bevond zich dichtbij de rivier de Lippe, waaraan het heiligdom van de Veleda gelegen was.

De reden waarom ik Plinius heb gekozen als de Romeinse hoofdpersoon van mijn verhaal is deels historisch gemotiveerd, maar vooral persoonlijk. Ik raakte bekend met het werk van Plinius in de jaren tachtig en het greep me meteen. Zijn Naturalis Historia is een zeldzaam testament van de tijd waarin Plinius leefde en door zijn werk kreeg ik het gevoel deze periode betere te begrijpen. Diens pogingen om de kosmos en de wereld in zijn omvangrijke levenswerk samen te brengen is bewonderenswaardig, maar ook vertederend. Plinius legt een gezonde argwaan aan de dag als het de goden betreft. Eigenlijk is er maar één hogere macht voor wie hij ontzag koestert en dat is Moeder Aarde. De Naturalis Historia is dan ook eigenlijk een soort van wetenschappelijke liefdesverklaring aan haar adres. Tot besluit een citaat, geplukt uit de Nederlandse uitgave van de Naturalis Historia die in 2004 verscheen, in een vertaling van Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters. Het betreft het einde van het hoofdstukje over hemellichamen.

‘Dan volgt nu de aarde, het enige onderdeel van de natuur waaraan wij wegens haar uitzonderlijke weldaden de vererende titel ‘moeder’ hebben gegeven. Want zij is voor ons, mensen, wat de hemel is voor god. Zij ontvangt ons tijdens onze geboorte, voedt ons daarna en als we eenmaal op de wereld zijn gezet houdt ze ons altijd op de been. Aan het eind, nadat de hele rest van de natuur ons voorgoed heeft afgewezen, neemt zij ons op in haar schoot en vooral dan dekt zij ons toe als een moeder.

Plinius de oudere, op de kathedraal van Como, foto: Wolfgang Sauber/Wikimedia

 

Deel 4: De creatie van de Veleda

Uit de antieke bronnen zijn er weinig historische feiten over de Veleda bekend. Het komt hierop neer: de Romeinse geschiedschrijver Tacitus memoreert in zijn Historiën dat er bij de stam der Bructeren een profetes is die Veleda heet aan wie de Bataafse opstandelingenleider Julius Civilis geschenken stuurt, waaronder de gevangengenomen Romeinse commandant Munius Lupercus. Wat de Veleda met deze Romein van plan was, weten we niet, maar ze zal hem niet op een gezellig kopje kruidenthee hebben willen trakteren. Je moet eerder denken aan een mensenoffer, niet een alledaags gebruik, maar in onzekere tijden zoals oorlog, zeker niet ongebruikelijk. Het zou een mooier gebaar kunnen zijn geweest in de richting van de goden, maar zover kwam het niet. Onderweg van Xanten naar het heiligdom van de Veleda, kwam Lupercus om het leven. We weten niet hoe of waarom. Het fenomeen mensenoffer klinkt barbaars, de Romeinen beklaagden zich erover, maar deden zij eigenlijk niet hetzelfde aan het einde van een triomftocht van een zegevierende generaal als ze overwonnen vijanden bij de tempel van Mars de Wreker een rituele wurgdood lieten ondergaan?

Ook later in zijn Historiën wordt de Veleda door Tacitus vermeld, als Civilis haar wederom een geschenk stuurt, nu in de vorm van het vlaggenschip van de Romeinse generaal Petilius Cerialis dat de Bataven bij een nachtelijk actie buit hadden gemaakt. En weer iets verderop wordt vermeld dat er wordt onderhandeld met de inwoners van Colonia Agrippensium (Keulen) en schrijft Tacitus: ‘Persoonlijk onderhoud met (de) Veleda werd hun geweigerd, ze kregen haar zelfs niet te zien, dit om hun meer respect in te boezemen. Zelf zat hij in een toren, een speciaal familielid bracht vragen en antwoorden over, zoals bij een godheid.’ (vertaling: Vincent Hunink) Verderop wordt nog vermeld dat Cerialis van de Veleda gedaan probeert te krijgen om de opstand te beëindigen. In zijn boek Germania, een soort antropologische studie avant la lettre, schrijft Tacitus eveneens over de Veleda: ‘Vrouwen hebben volgens de Germanen zelfs iets sacraals en profetisch. Hun adviezen worden net terzijde geschoven, hun uitspraken niet genegeerd. Onder de regering van de goddelijke Vespasianus hebben wij kunnen zien hoe (de) Veleda lange tijd bij velen doorging voor een goddelijk wezen. Maar ook eerder hebben ze vrouwen vereerd, zoals Aurinia en vele anderen.’ (vertaling: Vincent Hunink)

Als leek kan ik moeilijk inschatten hoe betrouwbaar Tacitus is, maar ook al is slechts tien procent van deze bewering over Germaanse vrouwen waar, dan is het altijd nog oneindig veel respectvoller dan hoe in latere eeuwen, na de invoering van het christendom, in religieuze zin tegen vrouwen werd aangekeken.

Wat de antieke bronnen over de Veleda betreft moeten we het hiermee doen; een nadeel voor een historicus, maar een oceaan aan associatieve mogelijkheden voor een romanschrijver. De vraag is hoe je, desondanks, een enigszins betrouwbaar historisch beeld van de Veleda kunt creëren. Ten eerste speel je leentjebuur, je gaat te rade bij andere bronnen waar meer te vinden is over religieuze gebruiken uit die tijd; niet alleen Germaans van oorsprong, maar ook Keltisch. Er zijn een aantal zaken die we vrijwel zeker weten: de goden werden vereerd in de natuur, veelal in heilige wouden waar sacrale bomen en moerassen een rol speelden. Vanuit deze natuur is het ook logisch dat priesteressen en zieneressen beschikten over een ruime kennis van heilzame planten en kruiden. En vrijwel zeker weten we ook dat ze gebruik maakten van geestverruimende middelen, zoals paddenstoelen, bilzekruid, opiaten, etc. Waar we ook vanuit mogen gaan is dat een vooraanstaande spiritueel leidster als de Veleda gezegend moet zijn geweest met een fabelachtig geheugen, want alle kennis waarover Germaanse en Keltische stammen beschikten werd mondeling doorgegeven en bewaard. In die traditie vind je ook barden, die middels liederen de geschiedenis en de cultuur van hun stam bezongen en bewaarden.

In veel films en boeken worden heidense priesteressen neergezet als wezensvreemde oude toverkollen, in bizarre uitmonsteringen, bijna getypeerd als voorloopsters van heksen. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat een zieneres als de Veleda per definitie een oude vrouw was. En ze was zeker geen wezensvreemde persoon, gezien het feit dat zowel de Germanen als de Romeinen om haar advies vroegen en ze optrad als bemiddelares tussen de strijdende partijen.

Als schrijver doe je ook research naar hedendaagse uitingen van de hierboven geschetste fenomenen. Wat natuurgeneeswijze betreft is er niet veel veranderd, Valeriaan is nog steeds even rustgevend als tweeduizend jaar geleden. Wat vrouwen in belangrijke religieuze functies betreft hoef je van het christendom niets te verwachten en kom je al snel in kringen van wicca of neo-paganistische bewegingen terecht. Je kunt de aldaar gebezigde gebruiken niet één op één overnemen in een roman, maar ze bieden wel degelijk inspiratie. Tot slot: de orale traditie. Een treffend voorbeeld daarvan vind je op de Faroe-eilanden, een uithoek van Europa waar tradities door de geïsoleerde ligging van de eilanden veel langer stand hebben gehouden dan elders. Met name in hun muzikale tradities is dat nog zeer herkenbaar. Vandaar het videofilmpje hieronder, van de Faroerse zangeres Eivør Pálsdóttir. Hoe historisch verantwoord het is, weet ik niet. Maar als ik mijn ogen sluit zou een bard of priesteres uit de tijd en de cultuur waarin de Veleda leefde, hun eigen lied op een dergelijke manier gezongen kunnen hebben… Ga er even voor zitten: het is magisch!

 

Deel 3: Alles of niets, de Veleda en de Bataafse opstand

Als auteur van historische romans, probeer je niet alleen een beeld te vormen van de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, maar ook een gevoel. Oeps… excuses… gevoel… Ik realiseer me ineens dat deze zin waziger klinkt dan ik het bedoel. Laat me herbeginnen met de term beeldvorming. Hiervoor gebruikt de historische wetenschap verschillende methodes. Een daarvan is de zogeheten hermeneuse. In zijn onvolprezen blog Mainzer Beobachter geeft historicus Jona Lendering hiervan op 13 maart 2016 de volgende omschrijving: ‘Hermeneuse (of hermeneutiek) is de kunst om elkaar te begrijpen, in het geval van de oudheidkunde over een stuk of twintig, dertig eeuwen heen. Het is niet heel anders dan in ons dagelijks leven. Als je voor het eerst met iemand kennis maakt, neem je allerlei eerdere ideeën mee: Hollanders zijn direct, pubers zijn lastig, alle mannen willen maar één ding. Wanneer we dan met iemand aan de praat raken, worden die noties verfijnd of gecorrigeerd en leren we de ander beter kennen, tot we zó goed weten hoe die denkt dat we diens reacties soms zelfs kunnen voorspellen. Analoog hieraan treedt een oudheidkundige in dialoog met de teksten, om zo te komen tot begrip van de auteur. Ook daarbij neem hij zijn eigen ideeën mee.’

En nou kom ik terug op mijn eerdere ‘oeps’. Het grote verschil tussen een historicus die zijn vak beoefent en een romanschrijver is het onderkennen van eigen interpretaties van historische gegevens. Een historicus, die streeft naar een zo hoog mogelijke mate van objectiviteit, zal terughoudend zijn in het toestaan van eigen ideeën, een romanschrijver juist niet.

In het geval van mijn verhalen over de Veleda ben ik regelmatig heen en weer geswitcht tussen beide benaderingen. Laat ik proberen dit middels een voorbeeld te illustreren. In 69 na Chr. komen de Bataven – die al meer dan een eeuw trouwe bondgenoten waren van Rome – in opstand. De Bataven stonden in Romeinse kring bekend als bijzondere krijgers, met name te paard. Het was dan ook niet voor niks dat zij belangrijke hulptroepen cavalerie leverden en de kern vormden van de Bereden Keizerlijke Lijfwacht te Rome. Gezien hun prominente positie is het niet verwonderlijk dat de Bataven betrokken raakten bij de machtsstrijd die in het Romeinse Rijk uitbrak na de dood van keizer Nero. Het was de Bataafse leider Julius Civilis die de strijd opende tegen troonpretendent/keizer Vitellius. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus omschrijft de reden voor de rebellie als volgt: ‘Op bevel van Vitellius werd een lichting onder jonge Bataven gehouden. Dat was op zichzelf al een last, maar het werd nog bezwaard door de corruptie en perversie van de uitvoerenden: zij selecteerden oude of zwakke mannen om die tegen betaling weer te laten gaan, terwijl ze anderzijds de mooiste jonge jongens (en die zijn daar doorgaans al vroeg uit de kluiten gewassen) meevoerden en zich aan hen vergrepen. Dat zette kwaad bloed en er werd een opstand op touw gezet.’ (vertaling: Vincent Hunink)

Corruptie, verval van zeden. Maar dat was niet de enige reden. Civilis hield een toespraak waarin hij zei niet langer als slaaf behandeld te willen worden door Rome en opriep tot een vrijheidsstrijd waaraan ook andere Germaanse stammen deelnamen. Beroemd is het schilderij van Rembrandt waarop het zogeheten eedverbond tussen Julius Civilis en andere Germaanse leiders staat afgebeeld. Deze plechtigheid waarin men zwoer gezamenlijk de strijd tegen Rome aan te gaan vond plaats in een ‘heilig woud’, zoals Tacitus dat noemde. En hier, op dit punt, zal een oplettende romanschrijver op zijn artistieke gevoel afgaan en de historische feiten beginnen te verdichten. Maar niet zonder reden. Als Civilis na een strijd van maanden eindelijk het Romeinse legerkamp bij Xanten inneemt, schrijft Tacitus: ‘Legioenscommandant Munius Lupercus stuurde hij als deel van een pakket geschenken naar Veleda, een invloedrijke, ongehuwde vrouw uit het volk der Bructeren. Aloud Germaanse gebruik: tal van vrouwen gelden er als profetessen en – bij toenemend bijgeloof – als godinnen. Veleda’s gezag was toen op zijn hoogtepunt. Zij had namelijk het Germaanse succes en de ondergang van de legioenen voorspeld.’

Een heilig woud en de Veleda, een eedverbond ten overstaan van de goden, het is niet meer dan logisch dat je als schrijver deze elementen aan elkaar verbindt. En dat brengt me op de vraag wat de reden kan zijn geweest dat de Veleda zich met de opstand heeft bemoeid. Ook hier ga je als schrijver weer af op je gevoel.

De eerste eeuw na Chr. was er één van grote veranderingen. De Romeinen hadden in onze contreien niet alleen veel invloed op het leven van de Germaanse en Gallische stammen die net binnen de grenzen van het rijk woonden, maar ook op de volkeren ten noorden en ten oosten van de Rijn, het vrije Germania. De Romeinse invloed was in de eerste plaats te danken aan intensieve handelscontacten. Maar daarnaast deden veel ‘vrije’ Germanen dienst in de hulptroepen van de Romeinen en raakten ook op die manier bekend met de Romeinse cultuur en manier van leven. Een vooraanstaande zieneres als de Veleda moet hebben opgemerkt dat haar wereld steeds Romeinser werd, net als velen in onze tijd zich ergeren aan de “ver-Amerikanisering” van de wereld. De Veleda moet in haar eigen omgeving de opkomst hebben gezien van “buitenlandse goden” en zal zich wellicht bedreigd hebben gevoeld door hun groeiende populariteit. Dit element wordt nergens in de antieke bronnen als zodanig benoemd, maar als romanschrijver moet je je personages een motief geven voor hun gedrag en dit leek mij een mooie beweegreden. Voor ‘mijn’ Veleda was het niet zomaar een vrijheidsstrijd, haar verzet tegen de almaar uitdijende Romeinse cultuur draaide om het wezen van haar bestaan. Het was alles of niets.

Hieronder Rembrandts beroemde schilderij Het eedverbond der Batavieren onder Claudius (sic) Civilis. In mijn fantasie als schrijver zou de vrouwelijke staande figuur rechts op de voorgrond te maken kunnen hebben met de Veleda.

Het eedverbond der Batavieren onder Claudius (sic) Civilis, Rijksmuseum Amsterdam, bron: Wikimedia.

 

Deel 2: De Veleda

De media konden er niet over uit: in de Amerikaanse geschiedenis is – in de persoon van Kamala Harris – voor het eerst een vrouw gekozen als vice-president. Groot nieuws, maar als je er even iets langer over nadenkt is het natuurlijk een grote schande. Niet alleen hebben vrouwen nog steeds niet dezelfde rechten en ontwikkelingsmogelijkheden als mannen, ook in de geschiedschrijving worden ze bijzonder mager bedeeld. Het zijn vooral op macht beluste en dikwijls gewelddadige mannen waarover eindeloos veel geschiedenisboeken zijn volgeschreven: Alexander de Grote, van beroep krijgsheer. Caesar, idem dito, Atilla de Hun, Genghis Khan, Karel de Grote, zo’n beetje iedere middeleeuwse koning die er heeft rondgelopen, Napoleon, Hitler. Allemaal hebben ze bloed aan hun handen van de veroveringsoorlogen die ze hebben gevoerd. Terwijl mannen de wereld kapotschoten, waren het de vrouwen die haar ondertussen draaiende hielden. Zij beschermden huis en haard, voedden de kinderen op, zorgden voor voedsel, droegen de zorg voor ouderen en zieken. Voorts speelden ze een grote rol in het onderhouden van de religie. Er waren zowel priesters als priesteressen, zieners en zieneressen. Een mooi voorbeeld daarvan zijn de Vestaalse Maagden in Rome, belast met de cultus van huis en haard. Evenwel, met de opkomst van het christendom, werden vrouwen in religieus opzicht terzijde geschoven en gediscrimineerd. Het is eigenlijk nooit meer goed gekomen.

Mede vanwege bovenstaande overwegingen ben ik bij de keuze van mijn hoofdpersoon voor de Veleda-trilogie en tijdens mijn research vooral op zoek gegaan naar vrouwen die ten tijde van Nero een rol van betekenis hebben gespeeld. Niet als echtgenote of maîtresse van… maar op eigen kracht, omdat ze ergens in geloofden, omdat ze van aanpakken wisten of een vooraanstaande maatschappelijke of religieuze functie vervulden.

Drie historische vrouwen kwamen bij mijn zoektocht naar boven drijven. De Veleda, een Germaanse zieneres die omstreeks 69 na Chr. de aanstichtster werd van een opstand tegen Rome. Boudicca, de koningin van de Britse stam der Iceni, die omstreeks 59-60 na Chr. de strijd met de Romeinen aanging. En Caenis, een voormalige hofslavin van de Vrouwe Antonia Minor, de moeder respectievelijk grootmoeder van de keizers Claudius en Caligula. Caenis staat bekend als de geliefde van de latere keizer Vespasianus voor wie ze, mede door haar ervaring aan het hof, van grote organisatorische waarde bleek te zijn. Deze drie bijzondere vrouwen vormen het historische decor waartegen de verhalen in de Veleda-trilogie zich afspelen.

Vandaag allereerst aandacht voor de vrouw naar wie de titel van de serie verwijst: de Veleda, een mysterieuze Germaanse zieneres met een haast goddelijke status, die door de Romeinse historicus Tacitus wordt aangeduid als de grote inspirator van de Germaanse opstand tegen Rome, in de jaren 69 tot 71 na Chr., waarin de in de Betuwe wonende stam der Bataven een leidende rol vervulde. Het weinige wat we van haar weten, hebben we te danken aan de Romeinse geschiedschrijvers Cassius Dio en vooral Cornelius Tacitus. Hij beschrijft haar als een zieneres die woonachtig was op het stamgebied der Bructeren, zeg maar het hedendaagse Ruhrgebied. Verder hebben we helaas geen persoonlijke informatie over de Veleda, we weten niet hoe oud ze was of hoe ze eruit heeft gezien, maar toch heeft ze door de eeuwen heen ze tal van kunstenaars en schrijvers geïnspireerd.

Ter illustratie onderaan een foto van het beeld dat Laurent Marqueste in 1877 van haar maakte. Het is ontsproten uit de fantasie van de beeldhouwer, maar hij was de enige die niet wist hoe ze eruitzag. Datzelfde gold ook voor haar tijdgenoten, want gewone stervelingen kregen haar niet te zien. De Veleda woonde in afzondering, in een toren vlakbij de rivier de Lippe. Slechts een kleine groep ingewijde vrouwen en familieleden had toegang tot de heilige zieneres en gaven de goddelijke boodschappen die ze ontving door aan de gelovigen, onderaan de toren. Lange tijd is aangenomen dat Veleda een naam was, maar tegenwoordig gaat men ervanuit dat het een titel was, ergo: de Veleda. Qua importantie is zij wellicht nog het beste te vergelijken met de Sibille van Cumae, uit de Grieks-Romeinse cultuur, ook zo’n mysterieuze vrouw die in orakels sprak en die je als gewone sterveling niet zomaar te zien kreeg.

Bij het schrijven van de trilogie was het vooral een uitdaging om op zoek te gaan naar “de mens achter de Veleda”. Wat voor vrouw zou zij geweest kunnen zijn? Was ze jong of oud? Hoe kwam ze op haar hoogverheven positie terecht? Over welke specifieke kwaliteiten beschikte ze, waardoor ze zoveel invloed had op haar tijdgenoten? Op welke wijze onderhield zij contact met de goden? Welke rituelen waren in zwang? Maakte ze gebruik van geestverruimende kruiden? Welke andere kennis van de natuur had ze tot haar beschikking, en kon ze die ook inzetten als genezeres? Wie waren de priesteressen om haar heen? En waarom was de cultus van de Veleda specifiek vrouwelijk? Al dat soort vragen speelden door mijn hoofd toen ik de verhalen construeerde en mijn – op historische feiten – gebaseerde fantasie de vrije loop liet. Maar ook daarin ben ik op zoek gegaan naar de relevantie van een vrouw als de Veleda voor onze eigen tijd. Was ze een eerste-eeuwse filosofisch aangelegde Simone de Beauvoir? Of een al dan niet oprechte gebedsgenezeres als Jomanda? Of een doorgeslagen rebellenstrijdster als Tanja Nijmeier? Of een gedreven idealiste als Gretha Thunberg? Of misschien wel van alle vier een beetje?

Wie “mijn” Veleda is geworden kun je lezen in de trilogie.

Veleda, Laurent-Honoré Marqueste. Collectie Musée des Augustins, Toulouse.
Wikimedia, met dank aan Didier Descouens

 

Deel 1: Hoe breng je de geschiedenis tot leven?

Een keizer en zijn Bataafse lijfwacht

Hoe schijf je een historische roman en breng je de geschiedenis tot leven? Ik denk niet dat er één eensluidende methode voor is, maar ik vind het werkproces in elk geval fascinerend. Over enkele weken verschijnt De Veleda-erfenis, het afsluitende deel van mijn Veleda-trilogie, een verhaal dat zich afspeelt in de tijd van keizer Nero en de krankzinnige chaotische machtsstrijd gedurende het beruchte vierkeizerjaar dat op zijn dood volgde.

Aan de hand van dagelijkse mijmeringen wil ik de komende maanden het ontwikkelingsproces van mijn historische romans inzichtelijk maken. En wat misschien ook aardig is: na 11 februari, de verschijningsdatum van De Veleda-erfenis, ga ik met volle kracht aan de slag met een nieuwe historische roman en zal ik – via een schrijversdagboek – de totstandkoming van dit nieuwe werk zo indringend mogelijk trachten te beschrijven, zonder overigens de verhaallijn weg te geven, want dat zou natuurlijk jammer zijn.

De komende weken gaan mijn mijmeringen nog vooral over de Veleda-trilogie. Waarom heb ik voor juist dit Romeinse tijdvak gekozen? Hoe kwamen de personages tot stand? Wat voor research ging eraan vooraf? Wat is er ‘echt’ in historische zin? En welke verhaalelementen zijn verzonnen, maar op een specifieke manier toch juist weer wél historisch verantwoord? Hoe zit het met het taalgebruik van de personages? Hoe zag hun dagelijks leven eruit? Waar maakten ze zich boos over? Welke sociale geneugten en problemen kenden ze? En de allerbelangrijkste vraag die je jezelf als schrijver stelt is vanzelfsprekend: leuk, die oude verhalen over het verleden, maar wat is hun betekenis voor onze huidige tijd? Zijn er interessante paralellen? Kunnen ze ons aan het denken zetten en misschien zelfs inspireren?

Laten we daar echter niet op vooruit lopen en gewoon beginnen bij het begin van ieder boek: waar komt het basisidee vandaan?

Het was aan het einde van de jaren tachtig dat ik samen met mijn geliefde een bezoek bracht aan Pompeii. Om in de sfeer te komen hadden we het onnavolgbare boek Dag van gramschap van Bertus Aafjes bij ons, een schitterende collectie op archeologisch en historisch onderzoek gebaseerde korte verhalen over enkele van de duizenden inwoners van Pompeii die bij de vulkaanramp in 79 na Chr. om het leven kwamen. De pennenvruchten van Aafjes ter plekke lezend, omringd door de omgeving waar zijn hoofdpersonen daadwerkelijk hadden geleefd, was het net alsof zich in mijn fantasie een film begon af te spelen, een verslavende sensatie, moet ik zeggen. Deze meeslepende ervaring van de geschiedenis in je hoofd tot leven kunnen wekken, werd in de jaren daarna intenser naarmate ik me meer in de geschiedenis ging verdiepen. En dan niet zozeer de “grote” geschiedenis, maar juist – zoals de Fransen dat zo mooi kunnen zeggen – de petit histoire.

Een mooi voorbeeld van een van de boeken die altijd weer mijn fantasie prikkelt, is Levend in steen, een collectie dikwijls ontroerende Romeinse grafschriften, bijeengebracht en vertaald door de inspirerende Nijmeegse classicus Vincent Hunink. Net als wij hadden de Romeinen er veel voor over om na hun dood niet vergeten te worden. Als je een Romeinse stad naderde, zag je links en rechts van de weg lange rijen van grafmonumenten, veelal met teksten die de passerende reiziger aanspoorden om de herdenkingsteksten te lezen. Behalve de naam en leeftijd van de overledene wordt er ook vaak een beroep vermeld, of de doodsoorzaak, of een korte levensbeschrijving. Hieronder drie teksten in een vertaling van Vincent Hunink die mijn fantasie onmiddellijk prikkelden, zozeer zelfs dat ik deze drie personen in mijn werk als bij-personages weer tot leven wilde wekken, in de hoop daarmee te voldoen aan hun laatste wens, namelijk: niet vergeten te worden.

De dodengeesten van Ummidia liggen in dit graf bedekt, en ook van de huisgeboren slaaf Primigenius, op één dag gestorven. Want ze werden verdrukt door een massa mensen op het Capitool. Zo kregen ze de laatste dag van hun lot.

 Besloten onder een steen ligt hier lieve Sabina, goede vrouw, in de kunsten onderlegd overtrof alleen zij haar man. Een mooie stem had ze en met haar duim sloeg zij de snaren aan. Maar vlug weggenomen zwijgt zij. (…) 

Indus, lijfwachter van Nero Claudius Caesar Augustus, uit de ruiterafdeling van Secundus, Bataaf, leefde zesendertig jaar, is hier gelegen. Geplaatst door Eumenes, zijn broer en erfgenaam, van de vereniging van de Germanen.

Opdat ze nooit vergeten worden… Morgen: een kennismaking met de hoofdpersoon uit de trilogie: de Veleda, een mysterieuze zieneres die de strijd aanbond tegen het almachtige Rome.

De grafsteen van Indus, © Salvatore Falco, beschikbaar via Wikimedia.

Gezichtsreconstructie van keizer Nero, door de Spaanse kunstenaar Salva Ruano, met dank aan Hyperrealistisc Sculpture in Silicone.

Borstbeeld keizer Nero, Wikimedia.